Nu verschenen Solo; het verhaal van Luna Zegers

zegers-solo-cmyk.jpgSolo van Luna Zegers; Mijn verhaal over rouw, familie en de troost van muziek. 

Ghostwriter: Maartje den Breejen

Solo van Luna Zegers is een uniek en persoonlijk verhaal over een Nederlandse vrouw die haar stem vond in de Spaanse flamencomuziek. Luna Zegers studeerde in 2015 als eerste niet-Spaanse af aan de opleiding flamencozang aan het prestigieuze conservatorium ESMUC in Barcelona. In 2016 verscheen haar eerste cd Entre dos mundos.

Lonneke werd geboren in het Brabantse Overloon en groeide op in een liefdevol gezin. Maar in haar eindexamenjaar overleed haar vader aan een zeldzame erfelijke hersenafwijking. Niet veel later blijkt haar zus Marieke aan dezelfde ziekte te lijden; ook zij komt te overlijden. Ruim twee jaar daarna stierf haar moeder onverwacht aan kanker. Radeloos van verdriet zonderde Lonneke zich af, alle therapieën ten spijt. Pas toen ze op reis door India bij toeval kennismaakte met de Spaanse flamencomuziek, wist ze hoe ze uiting kon geven aan haar grote verdriet. Lonneke werd Luna en studeerde als eerste buitenlander ooit af aan het prestigieuze conservatorium van Barcelona. Als flamencozangeres vond ze een stem om haar bitterzoete levenslied te vertolken.

https://www.amboanthos.nl/boek/solo/

http://www.espanje.nl/luna-zegers-solo/

http://www.stretto.be/2017/11/22/solo-het-aangrijpend-levensverhaal-van-zangeres-luna-zegers/

 

 

Advertenties
Uitgelicht bericht

Het ABC van Annie M.G.

hetabcvananniemg

 

Het ABC van Annie MG
Van de A van Abeltje tot de Z van Ziezo

JOKE LINDERS en anderen. Ik tekende voor de C van Columns en de V van Vrouwensalon

Annie M.G. Schmidt is een van de weinige auteurs van wie alle naoorlogse generaties wel een boek hebben gelezen, een liedje kennen, een toneelstuk, televisieserie of film hebben gezien. Elke Nederlander kent Minoes, Pluk, Jip en Janneke, Dikkertje Dap en zuster Clivia. Maar wie is Annie M.G. Schmidt?

Langs de letters van het alfabet – van de A van Abeltje tot de Z van Ziezo – wordt de lezer ingewijd in leven en werk van deze tegendraadse taalkoningin. Haar taalgebruik, de beestenboel, de helden en heldinnen uit haar werk, de bibliothecaresse, Het Parool, de plaatsen waar zij woonde en haar recalcitrantie – het wordt allemaal op speelse, vrolijk stemmende en soms onthullende wijze in dit ABC uit de doeken gedaan. Het ABC van Annie M.G. is een kleurrijk boek dat tot ieders verbeelding spreekt.

Joke Linders, die in 1999 promoveerde op het schrijverschap van Annie M.G. Schmidt en nu Het ABC van Annie MG samenstelde, draaide er haar hand niet voor om. Ze zette een keur van prominente medewerkers, onder wie Wim Brands, Maartje den Breejen, Jacques Klöters, Wilfred Takken en Ivo de Wijs aan het werk om fraaie essays te verzorgen over onder meer de D van Doorsnee , de J van Ja zuster, nee zuster en de L van Liedjes. (…) Linders schreef de meeste lemmata en verdient ook een compliment voor de schitterende uitvoering van dit verrukkelijke boek. NRC Handelsblad

Het ABC van Annie MG is een bijzonder vermakelijk én boeiend boek. Dit prachtige naslagwerk bewijst het: Annie M.G. Schmidt is nog lang niet dood.” Het Parool

“Het boek is geschreven door kenners van alle kanten van haar leven en werk (Henk van Gelder, Joke Linders, Jacques Klöters, Ivo de Wijs, Thomas de Veen, Gerard Mulder), zodat er alle gelegenheid is om je te verlustigen in anekdotes en de goedgekozen fragmenten uit haar werk.” Vrij Nederland

“Hoewel er vast nog heel veel prachtige boeken zullen verschijnen dit jaar, is dit ABC voor mij nu al een kanshebber voor het mooiste boek. In alle opzichten! De uitvoering, de tekst, de opzet, de uitwerking en de invalshoeken van de ‘letters’. Een prachtig (verjaars)cadeau en als er geen feest in zicht is, het ultieme cadeautje voor jezelf!” Denktank 60+ Noord

hetabcvananniemg

Uitgelicht bericht

Profiel: de hond in de kunst

51CROPMyNYL._SS500_

Profiel: de gepenseelde trouwe viervoeter

Een huilende hond ligt naast  het heldengraf

De hond speelt een prominente rol in de schilderkunst. Het dier is bij uitstek geschikt om emoties op te projecteren. Toon me uw hond en ik zeg u wie u bent.

Maartje den Breejen

Het doek draagt de titel Amsterdamse hondenmarkt en is tussen 1671 en 1672 geschilderd door (what’s in a name?) Abraham Hondius. We zien een gigantische roedel rashonden, die zijn verzameld op een braakliggend terrein. Sint-bernards, hazewindhonden, mastiffs, terriërs en poedels liggen naast of op elkaar, spelen of vechten. Aan hun poten liggen met edelstenen ingelegde hondenriemen.

Tegen de achtergrond van een Romeinse zuilengalerij, een ruïne en een gebeeldhouwde figuur, wordt gehandeld in de honden. Drie mannen staan met zwepen bij een aantal gestroomlijnde honden. Een vrouw in een weelderige jurk met een keffertje op haar arm wijst de pup aan die ze wil kopen. Achter haar staat een zwarte man klaar om het beestje naar huis te dragen.

Hebben we iets gemist in onze geschiedschrijving van Amsterdam? Bestond er zoiets als een hondenmarkt? Hebben de Romeinen hier gebouwd? Niets van dat alles. Het tafereel is ontsproten aan de fantasie van Hondius.

In de zeventiende eeuw was de rashond in de mode bij de bourgeoisie van Europa, en zeker in het rijke Holland. Elke dame en heer van stand had een raszuivere hond en liep daar mee te pronken. Het summum van chic was om je met je dier door een bekende schilder vast te laten leggen. Misschien is het cliché dat baas en hond op elkaar lijken, destijds ontstaan.

De hond is bijna even lang een onderwerp van kunstenaars als het diersoort oud is. De hond is zelfs zo vaak afgebeeld dat er kunstboeken over vol zijn geschreven. Onlangs verscheen er weer één bij de Engels-Amerikaanse uitgeverij Merrell: The dog, 5000 years of the dog in art, geschreven en samengesteld door Tamsin Pickeral, specialist in paardensport, kunst en de band tussen mens en dier.

De schilderijen zijn geordend op thema. Pickeral onderscheidt bijvoorbeeld De religieuze hond; De geportretteerde hond, De jagende hond of De huiselijke hond.

Als je al die beroemde en minder beroemde doeken waarop een hond staat afgebeeld in een bladerbeweging voorbij ziet komen, wordt in één klap duidelijk hoe prominent de rol van de natte neus in de kunstgeschiedenis is. Het wereldberoemde schilderij dat Jan van Eyck in 1434 van het huwelijk van Arnolfini maakte, is niet compleet zonder de bruine terriër tussen de echtelieden in, die trouw symboliseert.

Waarschijnlijk zag de eerste hond ongeveer 14.000 jaar geleden het licht. In het Duitse Bonn-Oberkassel is een schedel van een hond gevonden uit die tijd. Maar de eerste grotschildering van een hond wordt volgens Pickeral pas 6000 voor Christus gevonden in Algerije.

Geleerden vinden het vreemd dat het paard eerder en in veel groteren getale op de grotmuren verschenen dan de hond, omdat juist de hond zeer waarschijnlijk eerder in de buurt van de mens verkeerde. Diezelfde geleerden komen met de wat slappe verklaring dat de hond misschien wel zo volledig tot het dagelijks leven behoorde, en naast de mens voor het haardvuur zat, dat de kunstenaars er niet op kwamen het dier af te beelden.

De holbewoners vereeuwigden de hond in den beginne in elk geval vooral als hulp van de jager.

In de eeuwen daarna, zal de hond in ogen van de mens transformeren in een wezen met evenzovele goddelijke als duivelse trekken. Dikwijls wordt op de hond kennis van het hiernamaals geprojecteerd. Op Egyptische reliÎfs verschijnt Anubis, de god van de doden, met een hondenkop. De klassieke kunstenaars beelden Hades, wachter van de onderwereld, af met aan zijn zijde de vervaarlijke driekoppige hond Cerberus, met manen van slangen en een staart met weerhaken. Hier waakt de hond, wat u zegt.

Na de val van het Romeinse Rijk raakt de hond in het Westen enigszins uit de gratie. Honden worden steeds vaker als onrein beschouwd. Mensen stierven aan hondsdolheid, daar kreeg het imago van de hond ook een knauw van. Al zijn er in de middeleeuwen ook prachtige schilderijen gemaakt van Bijbelse taferelen met hond als trouwe metgezel op barre tochten door de woestijn.

Maar de toptijd voor de hond in de schilderkunst brak aan met de renaissance. Heersers en aristocraten werden afgebeeld met hun jachthonden om te benadrukken dat de eigenaar over jachtvelden beschikte. De vrouwen kregen bij hun portret een hondje op schoot om haar eigenschappen van devotie en trouw te accentueren. Honden wandelden overal het doek op. Je ziet ze liggen onder de tafel bij een boerenbruiloft, aan de voeten van twee geliefden, bij spelende kinderen of braaf zittend naast de baas.

En dan begint de mens een beetje door te slaan. Het sentiment en gevoel voor drama neemt in de victoriaanse tijd de overhand en dat projecteren schilders op de hond. Bij treurende geliefdes, dromerige kinderen, een graf van een held, of een smachtende vrouw op een bed worden huilende, wakende, alerte en schrandere honden gepenseeld.

Van daaruit kunnen we een regelrechte lijn trekken naar het succes van Martin Gaus en al die reclames waar honden in voorkomen.

En de hond zelf, wat vindt die ervan? Zie het schilderij Kunstliefhebber van Lincoln Seligman, waarbij een labrador staart naar een Campbells soepblik. Kijkt de hond zo indringend naar dit blik omdat Andy Warhol die tot kunst heeft verheven, of omdat de soep meaty chuncks ofwel lekkere vleesballetjes bevat? Het antwoord dat u geeft, zegt vooral iets over u zelf.

beeld van Tom Claassen op het Gustav Mahlerplein in Amsterdam, foto: Mascha Haring
beeld van Tom Claassen op het Gustav Mahlerplein in Amsterdam, foto: Mascha Haring
Uitgelicht bericht

Interview: Xandra Schutte

b2c8a27acb046b7246c531d81a5da48c_400x400-1

 

 

 

 

‘Ik heb een Tefallaag gekregen’

Xandra Schutte wordt de nieuwe hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, terwijl ze eerder onderuit ging bij Vrij Nederland. ‘Ik weet dat ik een grote crisis kan doorstaan zonder volkomen in te storten.’

MAARTJE DEN BREEJEN

Hebt u gesolliciteerd op de functie van hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer of bent u gevraagd?

“Ik ben gevraagd. Mijn eerste reactie was: leuk. En daarna ging ik twijfelen.”

Wat waren uw afwegingen?

“Ik ken de goede kanten van De Groene. Het is in de eerste plaats één van de oudste en bijzonderste bladen van Nederland. Ik heb daar ruim zeven jaar gewerkt. Het is een kleine, onorthodoxe organisatie. En door het eeuwige gevecht om het voortbestaan is iedereen buitengewoon betrokken bij elkaar en het blad. Maar het nadeel is dat er om dezelfde reden moeilijk dingen zijn te veranderen. Ook toen Martin van Amerongen hoofdredacteur was – daarvoor was het hoofdredacteurschap tijden taboe – was de organisatie een collectief. Dat heeft iets charmants, maar het is ook niet helemaal meer van deze tijd.”

Dus u besloot…

“Ik moet het niet doen.”

In juni begint u bij De Groene.

“Bij het tweede gesprek drukte de sollicitatiecommissie me op het hart dat ze graag wilde dat ik het ging doen. En dat er veel meer kon dan ik dacht. Langzamerhand merkte ik dat ik al nadacht over de toekomst van De Groene. Ik verzon verhalen en themanummers. Het begon te kriebelen. Dus ik heb ja gezegd.”

Als u De Groene moet duiden in termen van toon, kleur en nestgeur, waar komt u dan op uit?

“Slim, eigenzinnig, nieuwsgierig, onorthodox, kosmopolitisch, niet direct aan een politieke ideologie gebonden, eerder vrijdenkend. Bookish, of niet bang intellectueel te zijn. De kracht van De Groene is tegelijk de zwakte. Het is een blad dat de wereld vooral denkend benadert. Veel stukken worden vanuit de studeerkamer geschreven.”

Gaat u dat veranderen?

“Nou, ik zal de redacteuren niet ineens op reportage sturen. We zullen ons ook niet ineens op het human interest-verhaal werpen. Het voordeel van een klein blad met een specifieke identiteit is dat je je kunt permitteren heel veel niet te doen.”

“De Groene moet vooral goed nadenken, goede beschouwingen schrijven, goede reconstructies van hoe debatten zijn verlopen. Het moet niet een blad vol meningen worden. Bij bijna alle media wordt geroepen dat de redactie de straat op moet. Ik vind dat niet noodzakelijk. Groeneredacteuren moeten veel lezen en met veel mensen praten. En dan niet met de zogenaamde gewone man, maar met denkers, politici, schrijvers en wetenschappers.”

Advertenties zeggen vaak iets over de lezer. Zo zag ik in een almanak van het studentencorps advertenties voor avondjurken en Norit. In De Groene staan soms wel vier advertenties van filosofiecursussen. Verder Amnesty International, het Concertgebouw…

“De lezer van De Groene stelt eigenzinnigheid en onafhankelijkheid op prijs. Hij is flexibel en wil worden uitgedaagd. En hij is kosmopolitisch ingesteld. Hij is niet alleen maar op Nederland gericht.”

“Bij Vrij Nederland gingen lezers ervoor zitten om een zo naar mogelijke opzeggingsbrief te sturen. Ik was indertijd de enige vrouwelijke hoofdredacteur van een dag- of weekblad, en ik kreeg brieven met opmerkingen zoals: ‘we kunnen wel merken dat er nu een vrouw op die plek zit’. Echt heel naar.”

U ging bij VN werken toen de oplage daalde. U werd uitgever bij Meulenhoff, toen daar gezichtsbepalende auteurs als Adriaan van Dis en Oek de Jong waren weggelopen. En De Groene heeft ook te kampen met dalende oplagecijfers. Had u niet eens zin om te gaan zondagzeilen na al die zinkende schepen?

“Wacht even. De Groene is geen blad in crisis. Als je je verdiept in de geschiedenis van het blad, blijkt dat de betaalde oplage sinds de oprichting, 131 jaar geleden, ongeveer stabiel is gebleven, altijd tussen de 13.000 en de 15.000. Dat is niet te vergelijken met een blad als VN, waarvan de oplage van honderdduizend is gehalveerd.”

“En ik voel op de één of andere manier een grote liefde voor bladen en uitgeverijen met een bijzondere traditie. Of voor zo’n instituut als de VPRO. En sinds een aantal jaar beleven juist die instituties moeilijke tijden.”

“Het lijkt me trouwens ook heel moeilijk iemand op te volgen die heel veel successen heeft geboekt. Dan kan het alleen maar minder gaan. Het mooiste is natuurlijk dat je lang genoeg werkt bij een blad, zodat je van de periode in zwaar weer naar zondagzeilen kunt.”

Eens kijken of het profiel van de Groenelezer overeenkomt met dat van de toekomstige hoofdredacteur. U lijkt mij een typische erfgenaam van de ontzuiling: kind van een hippieachtige moeder, leerling van een antroposofische school, maar ook lid van een hockeyclub en van het studentencorps. Schrijfster van het Lesbisch lexicon, en een boek over het moederschap is in de maak.

“Mijn moeder heeft mij opgevoed met het idee dat een vrouw voor zichzelf moet kunnen zorgen. Op mijn vierde zijn mijn ouders gescheiden. Mijn moeder voedde drie kinderen alleen op. Ze had niet een baantje daarnaast, maar serieus werk. Ze was actief bij de MVM (Man Vrouw Maatschappij, een feministische actiegroep in Nederland, red.). Ik kom bovendien uit een heel liberaal milieu. Mijn grootouders gingen al niet naar de kerk. Eén van mijn oma’s vertelde me vol trots dat er voor de oorlog tegen haar is gepreekt, omdat ze ergens op de biblebelt een jurkje zonder mouwen droeg.”

“Ik heb het zelf altijd heel aantrekkelijk gevonden om het allebei te doen. Bij de hockeyclub en het corps kon ik me goed bewegen. Al waren het niet direct de plekken waar ik me het meest thuis voelde. Maar ik vond het wel leuk om op de redactie van De Groene te vertellen dat ik op hockey zat. Net zoals ik graag homoseksueel was op het corps.”

U lijkt wel consequent te kiezen voor highbrow en niet voor de lowbrow cultuur.

“Dat valt wel mee. Ik kijk weinig televisie en ik lees geen pulp, maar ik hou van popmuziek en ook van film. Eigenlijk hou ik steeds minder van arthouse en steeds meer van de betere Hollywoodfilms. Ik word ook vaak geïnspireerd door denkers die op een slimme manier over low culture schrijven. Susan Sontag heb ik altijd bewonderd en zij was de eerste die over camp en fotografie schreef. Ik heb ook een fascinatie voor populaire cultuur, met name voor roem, de sterrencultuur en de vervaging van de grens tussen publiek en privé.”

“Bovendien, ik ben in de jaren zestig geboren en dan word je automatisch grootgebracht met popmuziek, film en televisie. Het beste daarvan behoort inmiddels tot de high culture.”

Van welke popmuziek houdt u dan bijvoorbeeld?

“Van Tom Waits, Bob Dylan is ook favoriet. Ik ben een alleseter. Ik hou ook van jazz, van Ella Fitzgerald en Billie Holiday, van klassiek en van wereldmuziek. Maar ik weet van niks verschrikkelijk veel.”

De afgelopen jaren zijn veel vrouwen op topposities in de media terechtgekomen: Annemiek Besseling is hoofdredacteur van het Brabants Dagblad, Barbara van Beukering bij Het Parool, Birgit Donker bij NRC Handelsblad en Karin van Gilst is directeur van uitgeverij De Weekbladpers. Allemaal zijn ze begin veertig. Is dat toeval of niet?

“Ik denk dat het de normale gang van de geschiedenis is. De afgelopen decennia zijn steeds meer vrouwen in de journalistiek gaan werken. Eerst kwamen ze op chefsposities terecht. Daarna werden ze adjunct-hoofdredacteur en het hoofdredacteurschap of de directie is de volgende stap.”

Ligt het zo simpel?

“Ik denk het wel. In de toekomst komt het ongetwijfeld nog veel vaker voor.”

Wanneer ontdekte u bij uzelf leiderskwaliteiten?

“Haha. Je kunt er aan twijfelen of ik die heb. Ik denk dat ik vooral een groot verantwoordelijkheidsgevoel heb. Ik heb de neiging mee te denken over meer dan alleen mijn eigen portefeuille.”

Hoe komt u zo verantwoordelijk?

“Tja, dan moet je gaan psychologiseren. Ik denk doordat ik alleen door mijn moeder ben opgevoed. En ik was de oudste van drie kinderen. Dus dan ga je misschien eerder dan een ander kind boodschappen doen en vragen aan je moeder of het goed gaat.”

“Ik was ook wel degene die sporttoernooitjes op straat organiseerde. En ik zat in de kantinecommissie op school, maar ik was ook een eenling. Ik had eerst verantwoordelijkheidsgevoel, daarna kwam het leidinggeven. Ik heb de laatste tijd wel veel geleerd, over wat leiding geven is.”

Wat is het?

“Leiding geven is iets anders dan de baas spelen. Het is voorop en achterop lopen tegelijkertijd. Je moet een visie hebben en er tegelijk voor zorgen dat zoveel mogelijk mensen aan het grote plan meedoen.”

“Ik zoek nog wel naar het juiste evenwicht tussen enerzijds een people manager zijn en anderzijds zaakgeoriënteerd. Ik ben niet onaardig, maar ik heb wel de neiging me te richten op wat we samen maken. En minder op de mensen en of die goed in hun vel zitten. Toen ik voor het eerst leiding gaf, had ik de neiging te snel en te veel tegelijk te willen veranderen.”

U heeft het nu over uw hoofdredacteurschap bij VN.

“Ik heb in een korte tijd heel veel overhoop gehaald. Dat moest ook wel, hoor. Er lag een grote druk op mij, omdat de oplage een glijbaanvlucht naar beneden maakte en er grote verliezen werden geleden. Het blad had een grote redactie en er was nooit aan personeelsbeleid gedaan. Er waren veel te veel redacteuren die veel te weinig deden.”

U hebt daar zware tijden beleefd. De redactie zei uiteindelijk het vertrouwen in u op. Heeft u wel zin opnieuw uw nek uit te steken?

“Ik denk niet dat het makkelijk is bij De Groene. Maar de druk die ik heb ervaren bij VN, dat bekend staat om zijn moeilijke redactie, is daar niet. De Groene heeft een open cultuur. Er kan in alle directheid met elkaar worden gebotst, terwijl in mijn tijd bij VN dingen vaak ondergronds gingen.”

Bij VN werden e-mails tussen u en uitgever Hendrik Jan Schoo, waarin vertrouwelijke informatie stond over personeelszaken, onderschept door de redactie. Binnen de kortste keren lag uw hele privéleven op straat. Uw verhouding met Schoo kwam aan het licht, uw zwangerschap, uw breuk met schrijfster Doeschka Meijsing. Wat doet dat met een mens?

“Ik heb er een Tefallaag door gekregen. Het blijft niet leuk, maar het glijdt nu van me af. Mijn eerste gevoel was verbijstering. Er verschenen regelrechte roddelstukken in HP/De Tijd. Als brave intellectueel verwacht je niet onderwerp van roddel- en achterklap te worden. Ik werkte niet in de amusementsindustrie en was geen BN’er van de tv. In het begin voelde ik me ook heel erg bekeken. Ik was zwanger en ik voelde de blikken op mijn dikke buik. Maar ik ben in die tijd ook heel veel gesteund. Door vrienden, maar ook door medewerkers en redacteuren van de VN-redactie. Dat maakte dat ik op een gegeven moment dacht: buik vooruit, ik trek me er niets meer van aan.”

Dat lukte?

“Ja, dat lukte. Het was ook wel interessant – om maar eens een eufemisme te gebruiken – omdat ik altijd aan de andere kant had gestaan. In de journalistiek schrijf je altijd over anderen. Nu voelde ik me Alice in Wonderland, die door de spiegel stapte.”

“Daarbij vond ik het erg pijnlijk om te merken dat je – en ik wist natuurlijk wel dat die dingen gebeuren – door sommige journalisten wordt genaaid.”

Hoe gebeurde dat dan?

“Tijdens de crisis bij VN klopte de Volkskrant bij me aan voor een achtergrondstuk. Ik ben daar op ingegaan met toestemming van de directie. Maar het was helemaal geen achtergrondstuk. De krant presenteerde het artikel als een interview met mij. Ze wilden het ook nog eens plaatsen op de laatste dag dat er bij VN over de hoofdredactie zou worden gestemd. Dat hebben we weten tegen te houden. Maar de journalist in kwestie heeft die dag wel gebeld naar een VN-redacteur, om het stuk integraal voor te lezen. Dat had natuurlijk invloed op de sfeer op de redactie.”

“Ik heb in elk geval van dichtbij gezien hoe de media zelf ook actor in een conflict kunnen worden.”

Was de crisis zonder media-aandacht minder groot geweest?

“Nou, ik verbaasde me erover hoeveel zogenaamde kwaliteitsmedia anonieme bronnen opvoerden. Elke ontevreden VN-redacteur kon naar de media bellen om zijn verhaal gepubliceerd te krijgen, zonder dat er wederhoor werd gepleegd. Dus zonder tussenkomst van de media was de crisis minder hysterisch geweest, en ook minder schadelijk voor mij en voor het blad.”

Wat is de schade voor u?

“De schade voor mij is betrekkelijk. Alhoewel ik een heleboel media-aandacht kreeg, die ik niet direct leuk vond. Ik kan natuurlijk met Oscar Wilde zeggen: there’s no such thing as bad publicity, maar zo werkt het niet.”

“Voor het blad is het niet goed als er telkens een wisseling van de wacht is. Als er steeds weer een ander komt die zegt dat het allemaal anders moet.”

Had u in die tijd niet het idee dat u de controle over uw eigen leven verloor?

“Ja en nee. Ja, het is niet leuk als in de krant staat dat je zwanger bent. Dat wil je liever zelf vertellen. En nee, want de berichtgeving was zo oppervlakkig, met een saus van schandaal er over heen. Die ging niet heel diep. Het was niet mijn persoonlijkheid die te kijk werd gezet.”

Kreeg u van homoseksuelen nog boze reacties, omdat u van uw geloof zou zijn gevallen?

“Van mij werd plotseling gezegd dat ik voorheen een radicaal feministische lesbienne was. Dat ben ik helemaal nooit geweest. Maar nee, ik verkeer nauwelijks in homoseksuele kringen – een paar vriendinnen van mij hebben een vriendin en paar vrienden een vriend, verder gaat het niet.”

Als u nu langs het gebouw van VN op de Raamgracht fietst, wat denkt u dan?

“Ik fiets daar nooit meer. Het is ook niet direct een gracht waar je vaak langs moet fietsen. Nee, maar serieus: er waren tijden dat ik de buurt meed. Maar inmiddels zijn er zo veel ingrijpender dingen gebeurd. Samuel is inmiddels drie jaar en zijn vader is overleden. Het ligt heel ver achter me. Het zijn de media die er steeds op terugkomen. “

U heeft geen last van rancune?

“De hele toestand heeft zich eigenlijk in twee weken afgespeeld. In een krankzinnige korte tijd werd alles omver geworpen. Toen Samuel werd geboren, kreeg ik ook van het grootste deel van de VN-redactie kaartjes en cadeautjes. Ik wil maar zeggen: het was een waanzinnige crisis, maar ik ben niet gehaat.”

Onlangs is het boek van Doeschka Meijsing, Over de liefde, uitgekomen, waarin ze de crisisperiode vanuit haar perspectief beschrijft. Het is bijna onmogelijk om u niet te herkennen in één van de personages. Dacht u niet: daar gáán we weer!

“Ze heeft me verteld dat ze over deze periode wilde schrijven. En daar heeft ze alle recht toe, want wat is gebeurd heeft ook haar leven ingrijpend veranderd. Ik vertrouwde erop dat het geen rancuneus boek zou worden. Als ik ergens bang voor was, was het voor de reacties van de media, niet voor het boek. Maar de reacties waren allemaal keurig, behalve die van HP/De Tijd, die liet Doeschka’s broer Geerten Meijsing allerlei lelijke dingen over mij zeggen. Ik vind het te veel eer voor het blad daar al te lang op in te gaan.”

Heeft de crisis u uiteindelijk ook nog iets goeds gebracht?

“Ik had in mijn privéleven wel eens een crisis meegemaakt, maar in mijn werk nog nooit. Dat was altijd soepel en vlot gegaan. Ik was op mijn 37ste hoofdredacteur van VN. Ik was daar ook verbaasd over. En toen had ik ineens geen werk meer en mijn relatie liep op de klippen. Het was onduidelijk waar ik zou wonen, en dat met een kind op komst.”

“Maar het is goed gekomen en ik laat me nu niet meer zo snel van de sokken rijden. Ik weet dat ik een grote crisis kan doorstaan zonder volkomen in te storten. Ik heb nu de overtuiging dat ik het uiteindelijk wel red en dat neemt heel veel angsten weg. Ik verplichtte mezelf altijd beter dan goed in mijn vak te zijn. Bijna alle schrijvers en journalisten hebben het, ik had het ook: de angst dat je een keer door de mand valt. En dat je daardoor krampachtig wordt en niet durft te zeggen wat je denkt. Daar heb ik niet zo veel last meer van. Ik kan eigenlijk iedereen een crisis aanraden.”-

Xandra Schutte:

Geboren 15 juli 1963 in Amsterdam

1969-1975: lagere school Rudolf Steiner in Leiden

1982: staatsexamen Vrije School, Den Haag

1986: doctoraal communicatiewetenschappen Universiteit van Amsterdam

1988: doctoraal Nederlandse letterkunde UvA

1991: redacteur bij De Groene, publicatie Lesbiaans: lexicon van de lesbotaal

1999: essaybundel Maskerade

2000-2004: hoofdredacteur Vrij Nederland

2005-2008: adjunct-uitgever Meulenhoff

juni 2008: hoofdredacteur De Groene

Uitgelicht bericht

Klein Leven van Hanya Yanagihara: goed of vooral heftig?

 

Ik heb nooit een marathon gelopen, maar ik stel me voor dat de mentale toestand van de loper bij de finish overeen komt met die van de lezer, die op pagina 890 de laatste zin van Hanya Yanagihara’s Klein Leven tot zich heeft genomen. Een toestand van uitputting en voldoening.

Uitgeput en geconfronteerd met een beperkt uithoudingsvermogen. Voldaan omdat het hele parcours is afgelegd en zoveel verschillende emotionele lagen – van jankend willen opgeven tot het gevoel te kunnen vliegen – doorleefd zijn. Maar dan. Na een dag rust gaat de vergelijking met de marathon niet meer op. Wat op een vrije loop leek, blijkt met terugwerkende kracht meer op de ervaring van een paar dagen in de cel. Nu overheerst vooral de opluchting over de bevrijding uit de wurgende greep van het verhaal. En rijst de vraag: Was het boek nou zo goed of was het vooral zo heftig?

De eerste tachtig pagina’s van Klein Leven lezen als een helder, filmisch geschreven portret van vier studievrienden uit verschillende milieus in Massachusetts, die voet aan de grond proberen te krijgen in New York.

J.B. is alleen opgevoed door zijn moeder, werkt als receptionist en droomt van een carrière als kunstenaar. Malcolm heeft rijke ouders en werkt op een architectenbureau. Willem komt van een ranch, hij wil acteren, maar werkt vooralsnog bij een restaurant. En van Jude weten de vrienden eigenlijk niets, behalve dan dat hij geen familie heeft, briljant is in wiskunde en dat er een groot advocaat in hem huist. Ambitie is wat de vier gemeen hebben. Het verhaal lijkt geknipt voor een tv-serie op HBO: Het mannelijke antwoord op Girls.

Maar het wordt allemaal anders vanaf het moment dat Jude zijn kamergenoot Willem wakker maakt, omdat hij een ‘ongelukje’ op het toilet heeft gehad. Hij heeft zich gesneden. De komende 800 pagina’s gaan over de gestage ondergang van Jude. De lezer is getuige van de gruwelijke zelfverwondingen die hij zichzelf met scheermesjes toebrengt om voor een moment verlost te zijn van zelfhaat, angst, schaamte en walging. Pagina na pagina wordt de lezer dieper meegetrokken in het duistere verleden van Jude, dat steeds onuitwisbaardere sporen nalaat in zijn heden. Jude is verminkt en hij verminkt zichzelf. Hij is mishandeld, eenzaam opgesloten en eindeloos seksueel misbruikt. Door paters, door een geschifte dokter en later nog eens door een man, bij wie hij zich eindelijk op zijn gemak lijkt te voelen. Yanagihara beschrijft de scènes zo kwellend plastisch,  ze lijkt de zinnen in je huid te kerven.

Verlichting schenkt het boek alleen op de momenten dat Jude’s vrienden – inmiddels net als hij meer dan succesvol – hem hun onvoorwaardelijke liefde en vriendschap tonen. Dat zijn momenten van het kleine, en ondertussen zóveel zeggende gebaar – een hand op een schouder, een etentje, een geduldig omgaan met Judes zwijgen, een kunstwerk dat aan hem is opgedragen – en die dikke tranen van ontroering oproepen.

Maar Jude kan de liefde niet ontvangen en hij kan ook niets delen. ‘Hij ervaart zijn verleden als een tumor waar hij langgeleden iets aan had moeten doen, maar die hij in plaats daarvan heeft genegeerd. En nu zijn broeder Luke en dokter Traylor uitgezaaid, nu zijn ze te groot en te overweldigend om te kunnen worden verwijderd.’

De zin die Yanagihara het vaakst uit Jude’s mond laat rollen, (meer dan honderd keer), is: ‘Het spijt me.’ Terwijl niemand hem iets kwalijk neemt. Het spijt hem dat mensen van hem houden. Het spijt hem dat hij zichzelf kapot moet maken. Er is helemaal niets aan te doen. Dus wens je hem na al die uren met hem in zijn cel van misère te hebben doorgebracht een pijnloze dood toe. Je strompelt naar de finish, slaat het boek dicht en telt je zegeningen.

Hanya Yanagihara- Klein Leven, (Nieuw Amsterdam), € 24,99 (paperback)

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑